Bergen Toen en Nu

Het goddelijke plezier van Thei Buddiger

 

„Ik moet even het werkbriefje naar het dorp brengen en toen jullie zo stonden te roepen en zwaaien dacht ik dat ik het had verloren”, zijn eerste woorden. Thei Buddiger is beekveger in dienst van het waterschap, maar in de winter loopt hij in de ww. Wer­keloos is hij echter allerminst. In heel Noord-Limburg kennen de boeren Thei als een kei in het vangen van mollen. „Vanmor­gen heb ik er nog zes gevangen. Kijk, dat doe ik puur voor de hobby en voor de beweging en de gezondheid. Ik heb daarvoor een speciaal spits, smal en snel schopje. Dat is wat anders dan de brede en soms geroeste schoppen van de boer. Voordat ze daarmee een stuk in de grond zijn is de mol al vertrokken." Over die mollenvangerij willen we het nu eens niet hebben. Dat verhaal heeft Thei al eens eerder verteld. Maar wie is nu Thei Buddiger, wie is die man van wie de mensen vertellen dat hij tijdens het beekvegen nagenoeg aan een stuk gregoriaanse missen staat te zingen. 's Morgens een en 's middags een. 

„Nou nee, missen zing ik toch niet vaak. Maar wel allemaal van die oude liedjes die toch iets met de Schepper te maken hebben, zoals 'klein vogelijn op de groene tak'. Die liedjes breng ik hoofdzakelijk. Geen protestsongs nee, daar doe ik niet aan mee. Dat is me te min. Al hebben ze misschien groot gelijk. Ik heb er niks mee van doen." Ze zijn Thei te scherp, te provocerend. Dat is niet de stijl van Thei. „In het goede, daar vind ik mijn geluk. In het mooie. Ik heb toch zo'n enorme levensvreugde. Man, ik heb koeien gefokt die nu nog in de Heibloem op stal staan en die mooie prijzen hebben gewonnen. Dat vind ik geweldig. Vroeger heb ik mijn boerenbedrijf altijd op een natuurlijke manier gerund, de koeien altijd met de hand gemolken. Van 1912 tot 1932 heb ik mezelf verhuurd bij de boeren. Toen ben ik getrouwd en ik heb nog zeven kinderen gekregen. Wat een rijkdom! En ze zijn allemaal goed gezond en ik heb ze allemaal kunnen laten studeren. Enorm, he? Binnenkort ga ik met pensioen en dan krijgen we een bejaardenwoning in Castenray. Mijn zoon betrekt de boerderij. Het is niet altijd even gemakkelijk geweest, maar ik leef helemaal vanuit het geloof. Bij alles wat ik doe ga ik na of het de mensen geen verdriet kan doen. En als je bij tegenslag maar het goede blijft doen, dan werkt die tegenslag later altijd weer door in het goede. Als iemand mijn fiets steelt, dan kan ik daar niet kwaad om word en, want het is onmogelijk dat ik met iemand ruzie krijg! Voor die dief is het jammer, hij raakt steeds verder van het pad. Maar ik niet! Wat een rijk Leven en wat een plezier heb ik, ja, levensvreugde, daar ben ik ontzettend rijk in!"

Onweerstaanbaar moet ik denken aan Frater Fenantius van Wim Sonneveld, die ook zo smakelijk 'Ja' tegen het leven kon zeggen. Thei heeft dezelfde manier van praten, maar er is ook een enorm verschil. Fenantius was een karikatuur, Thei is echt. Tomeloos rollen zijn woorden over zijn lippen, terwijl hij met zijn bruine wanten het stuur van de fiets vasthoudt. „Ik heb mijn tijd van doen", heeft hij al een paar keer gezegd. Om half twee komen ze hem halen. Dan gaat hij een vrolijke middag verzorgen voor de bejaarden van Siebengewald. Dat is zijn tweede grote hobby. Liedjes zingen terwijl hij zichzelf begeleidt op de 'trekbuul' en gedichten voordragen. „Weet je wat voor mij een enorme vreugde is? Wanneer ik op die oude gerimpelde gezichten een glimlach kan toveren en wanneer ik de lippen de woorden van mijn liedjes zie mee prevelen. Dat vind ik toch zo enorm!" Zelden heb ik een man met zoveel overtuiging horen vertellen over zichzelf. Geen vlak toonloos verhaal. Elk woord schijnt regelrecht uit zijn hart te tuimelen. „Tja, dat heb ik nu eenmaal", zegt hij, „dat hoef ik niet op te zoeken!"

Kortgeleden was Thei te gast in een radioprogramma van Jules de Corte en hij heeft er een van zijn lievelingsgedichten mogen voordragen. „Jammer genoeg hebben ze het mooiste gedeelte eruit geknipt. Als pater Schreurs dat had gehoord zou hij zeker hebben geprotesteerd!" En dan begint Thei Buddiger te declameren. Voor een man van vierenzestig beschikt hij over een zeldzaam heldere, lyrische en lenige stem. Gewoon langs de weg in de buurtschap Roffert, gekleed in een lange loden jas, geruite pet op het hoofd, wanten aan de handen, klompen aan de voeten, declameert Thei alsof hij in een voile zaal voor het voetlicht staat. Zijn stem galmt over de weide aan de overkant van de weg.•• Van Limburg zijn klokken bij droef en bij blij, bij leven en sterven om 't even.Van Limburg zijn kinderen vooral en bij mij die een kind van zijn land is gebleven...!"

.....Van Limburg zijn kinderen vooral en bij mij die een kind van zijn land is gebleven...!"

De woorden rollen tussen de fruitbomen door en buitelen rond de hoeven, wier muren ze verder kaatsen en ook bij ons terugbrengen. Thei gaat helemaal op in zijn voordracht en wij kijken en luisteren geboeid. Dit is een zeldzame gebeurtenis. Zomaar ergens langs de weg, bij een boerderij, in de maartse waterkou, die druppels aan zijn neus hangt.

... En de vink en de spreeuw

en de wielewaal zong

als ik zong met de nachtegaal mede.

In mijn lied speelt een orgel,

een fluit en een gong,

in mijn lied bidt mijn moeder haar bede...!"

Het is even stil als het uit is. Dan zegt Thei: „Dat hebben ze d'r uitgelaten, is dat niet jammer?". Maar evengoed kan het zijn goede humeur niet bederven. „Lachen kan ik! Geweldig! Dat zit er gewoon in!" En dan schatert hij het uit. Het hoofd gooit hij in de nek en zijn mond gaat zover open dat het kunstgebit er bijna uitvalt. „Hahahaha even ademhalen. „Hahahaah “I"

Een kwartier later bij zijn boerderij. The i heeft zijn briefje ingeleverd, wij hebben rondgezworven. Hij vraagt: „Heb je die beken gezien? Daar hoeft het waterschap de eerste jaren niets meer aan te doen. Ze waren gewend de begroeiing met de zeis te maaien, maar ik heb dat spul met wortel en al uitgetrokken. De Lollebeek heb ik perfect geveegd, daar hoeven ze niets meer aan te doen. En in al die weilanden in de omtrek. vind je geen ene mol! Wat een mooie boerderij, he! Geweldig!" Hoewel hij zijn tijd erg van doen heeft krijgen we toch van hem gedaan dat hij zijn trekbuul gaat halen. Nooit meer zal ik die opkomst vergeten. De grote schuifdeuren van de stal staan op een kier. In het schemerdonker daarbinnen zie ik een beweging en dan klinken opeens de kermisachtige vrolijke tonen van de trekbuul. Dan wringt Thei zich door de kleine opening. De loden jas heeft hij binnengelaten. Nu draagt hij de geel en grijze Master-harmonica op zijn donkerblauwe overal. Hij zwaait zijn instrument open en strooit als een zaaier de klanken over het uitgestrekte akkerland dat voor hem ligt. De hele wereld verandert in een ommezien. „Ik ben goddank een ferme jongen", zingt hij met zijn heldere tenor Daarna moeten we binnen komen en luisteren naar een bandopname van het radioprogramma met Jules de Corte. Thei start de cassetterecorder en gaat zich dan omkleden en scheren. Luisteren kunnen we wel alleen. Maar precies op het moment waar de omroep in het bandje heeft geknipt, precies op dat moment steekt Thei zijn fris gewassen hoofd om de kamerdeur en met zijn wijsvinger omhoog zegt hij: „Hoorde ge, wat ze eruit gelaten hebben...? Jammer he?".

Bron: "Landlopen" opgetekend door Toon Willemsen en Lei Coopmans

1338456

Zoeken