Anekdotes Lagere school

1. Dialect in de lagere school


sinaasappelsIn de vijftiger jaren (1954) zijn velen van ons thuis grotendeels in het dialect opgevoed. Televisie en internet bestonden niet en lezen konden we nog niet,
dus moesten wij vanaf het begin van de kleuterschool het "Hoog Hollands" met een taalachterstand beginnen. Dat is ons overigens goed gelukt.
Binnen de kortste keren waren we ook het "Hoog Hollands" machtig.
Overigens wel met een streekgebonden dialecte tongval.
Maar soms kwam dat in het gedrang , wanneer het maximum van ons denkvermogen gevraagd werd zoals in onderstaand geval.
Het gebeurde in de tweede klas van de lagere school.
We begonnen langzaam te begrijpen hoe het hoofdrekenen in z'n werk ging.
Dat kostte wel het maximum van onze geheugentjes bij een opdracht en er moest niet tegelijk een tweede opdracht bij komen.
De meester vroeg aan Martien:
‘Martien, als je 2 sinaasappels hebt en je krijgt er nog 2 sinaasappels bij?
Hoeveel je heb je er dan?’
Martien begon heel diep na te denken en hij vond de uitkomst:
Hij zei: ‘4 applesine!!’

2. Voor straf op de knieën in het gangpad

op_knieen.jpgVroeger gingen we als kinderen van ca. 8 jaar naar de H. Mis.
Om te communie te mogen gaan, moest je om de hostie te ontvangen, nuchter zijn. (niks gegeten)
Voor de goede orde tussen tussen de communie-gangers en degenen die niet nuchter waren, was op school de regel afgesproken:

Communie-gangers in de voorste 2 banken en de andere jongens in de banken daarachter.
Wat overkwam Leo, hij zat in de voorste bank en had vergeten dat hij in de verkeerde bank zat.

Niet nuchter en toch communie, dat durfden we niet want God keek mee!
Dus toen de communie begon ontstond er een hevig gestommel in de voorste bank, omdat Leo bleef zitten en de anderen daar voorbij moesten klimmen.
De meester zag de wanorde ontstaan.
Hij kwam naar voren greep Leo bij de kraag en sleurde hem uit de bank.
Hij werd voor straf ten overstaan van alle kerkbezoekers als zondaar op de knieën in het middenpad gezet. Dat was weer een les voor Leo om nooit meer te vergeten. 

3. Noud ontsnapt aan Pietje Pelle

Pietje PelleRennen in de klas. Noud had straf en moest dus nablijven. De meester noemden wij Pietje Pelle. Die naam hadden we hem gegeven van ‘Pietje Pelle’ in boekjes van Gazelle, 
dIe we soms bij Sjang de Smid kregen (Sjang repareerde onze fietsen).
Op het laatst bleef dus Pietje Pelle en Noud alleen nog in de klas.
Op een gegeven moment loopt de meester op Noud af.
Waarop Noud bang werd en begon te rennen. Het eerste wat de meester deed, was de klasdeur op slot.
Daarna probeerde hij zijn scholier al rennend in de klas te vangen.
Maar Noud was hem toch te snel af.
Ondertussen had Noud gezien dat er een raam open kon.
Zo snel als hij was, wist hij dat te openen en was de vogel gevlogen.
Daar stond Pietje Pelle met lege handen.  

4. Noud was Giel deze keer te slim af

aardrijkskundeGiel was erg slim voor zijn leeftijd, maar was 3 jaar jonger dan Noud. Maar waarschijnlijk omdat Noud was blijven zitten, zaten Gieltje en Noud in een combinatieklas toch in de buurt van elkaar.
Op een gegeven moment kreeg Noud een aardrijkskunde vraag, maar hij wist het antwoord niet. Op dat moment fluisterde Gieltje het antwoord in de richting van Noud. Noud steekt meteen de vinger op en antwoord: ‘Meester, Gieltje zegt voor!!’ Gieltje kroop ineen, want hij was goudeerlijk en dit had hij niet verwacht.
Volgende keer zou hij zich wel twee keer bedenken om Noud te helpen.
Dat dit indruk op Giel gemaakt heeft, blijkt wel want nu 68 jaar later herinnert Giel het nog als de dag van gisteren. Want hij heeft het me persoonlijk verteld.  

 

 


5. Draai om de oren van de meester

inktlapIn het begin van de vijftiger jaren (1954) leerden we op school in de eerste klas schoonschrijven met een kroontjespen. Elke schoolbank had een ingebouwd inktpotje wat door de juf of meester steeds bijgevuld werd. We moesten van thuis een katoenen inktlapje meebrengen. Dat was om de kroontjespen aan af te vegen, als er stof of een haartje aan de punt zat.
Op zekere dag hadden we weer schoonschrijven in een schrift.
Bij Leo gebeurde het dat er een druppel inkt onderaan op het schrift gevallen was. Hij had nog gauw met vloeipapier de vlek weten te beperken, maar mooi was het niet.
Zoals gewoonlijk liep de meester tussen de schoolbanken of het iedereen al een beetje lukte.
Leo bukte een beetje voorover, om de inktvlek buiten het zicht van het aanstormende gevaar van de meester te beperken.
Echter de meester trok hem aan de schouder naar achteren en zag het ongeluk.
De meester haalde uit en Leo kreeg een draai om de oren (klap met de vlakke hand tegen het achterhoofd!).
Wie de meester nog gekend heeft, weet dat het geen schriel mannetje was en dat hij flinke handen had.
Vanaf die dag zat de schrik er bij Leo voor de meester goed in.

6. Een moeilijk begin van het eerste schooljaar

HelHet was op de St. Jozef lagere school in Bergen. Het eerste schooljaar begon met een Heilige Mis in de kerk. Jongens en meisjes nog gescheiden.
De jongens op de banken aan de linkerkant en de meisjes rechts van het gangpad.
De eerste klas bestond uit allemaal nieuwelingen en die wisten nog niet goed wat er toegestaan en verboden was. Alleen de kinderen die de Eerste Communie hadden gedaan, mochten ter communie. Zo overkwam het Ger de eerste dag op de grote school. Dus eerst naar de kerk voor de H. Mis. Tegen de tijd dat de communie aanbrak, stond iedereen op. In die chaos liep Ger nietsvermoedend met de groep mee naar voren.
Ondanks dat hij de Eerste Communie nog niet had gedaan, had hij aan de andere kant gezien, dat de meisjes aangekomen bij pastoor de tong tegen hem uit staken.
En dat de pastoor een rond plaatje op de tong legde.
Onze snelle leerling had ondertussen al begrepen dat hij maar beter niks kon vragen, overigens praten in de kerk was al helemaal niet toegestaan. Ger bepaalde om dezelfde procedure te volgen.
Met de hostie in de mond omkeren en terug naar je zitplaats.
De Mis was uit en allen liepen terug naar school voor de eerste schooldag.
Maar al snel werd de ‘blunder’ onder de hele schoolbevolking rondverteld.
Het ging als een lopend vuurtje rond. De gehele school van klas 2 tot en met klas 5. Allen keerden zich tegen Ger. ‘Gej hed enn Zonde gedoan!! Gej komt in de Hel!’
De angst hiervoor werd Ger te groot, hij vluchtte van het schoolplein en ging zich ver in de bossen en struiken verstoppen. Het leek wel een trauma op de eerste dag van de lagere School. Hij durfde ook niet meer naar huis, want dat was naast de gevaarlijke lagere school.
Zijn moeder gaf aan zijn vriendjes de mededeling: ‘Als Ger naar huis zou komen, mocht hij bij Trina Zegers een kadootje uitzoeken.’
Het blijkt gewerkt te hebben, want Ger is nu een grote kerel die voor de duvel niet bang is!!

7. Op de knieën in de klas

knieen zitten2Het was vroeger de traditie dat als oude mensen niet meer naar de kerk konden komen en toch graag nog de communie wilden ontvangen, de pastoor deze thuis bracht. De hostie zat in een klein gouden tasje wat pastoor aan een paars koord om zijn hals droeg. Hij ging dan per fiets (zo’n oma-fiets), want auto's waren nog zeldzaam. Zodoende kon iedereen zien met welke boodschap de pastoor op weg was.
De kerk gebood dat wanneer de pastoor met de Heilige Hostie voorbij kwam, dat je ter plekke een knieling maakte.
Het overkwam Theo dat hij pastoor te laat zag, vooral omdat het zo koud was en hij niet wilde knielen op de dijk van Nieuw Bergen naar Bergen.
De volgende catechismusles vond de afrekening plaats.
Theo werd aan het begin van de les in de kraag gegrepen door pastoor en voor het bord gezet. Niet staand maar geknield op blote knieën gedurende de gehele catechismus les met de neus naar de muur.
En of daar veel te zien was, weten we niet maar Theo voelt nu nog wat het betekent om een uur lang op blote knieën tegen een muur te kijken zonder te mogen omkijken. Of het nog een trauma opgeleverd heeft weten we niet.
Maar wanneer Theo meneer pastoor later zag, kreeg hij al bijna last van zijn knieën. 

 


8. De stok van de meester 

OttoOp zekere dag had de meester gehoord dat er een kindje in een bepaalde familie geboren was. In de klas waar ook het broertje van de betreffende familie zat vroeg hij: ‘En, hoe heet je broertje?’
Nog voordat de jongen de naam kon noemen, riep een deugniet van achter uit de klas ‘STINKY’ 
De meester stormde gewapend met een lange aanwijsstok op Theo af.
Theo beseffend, dat dit een levensgevaarlijke afrekening zou worden, probeerde nog te bukken. Maar de klap met de stok op zijn rug was met zoveel geweld, dat deze middendoor brak. Dat stuk vloog door de lucht tegen een grote glazen lamp in de klas. Het resultaat: een grote barst in de glazen bol.
Toen werd het erg stil want iedereen was erg geschrokken van de gebeurtenis.
Vanaf dat moment wist Theo dat wanneer de meester gewapend was met een aanwijsstok, hij zich beter koest kon houden.
Overigens kenden de meesters in die periode nog meer lijfstraffen, maar die komen in een andere anekdote terug. 

 

 

9.Verschillende zonden

zondenWe leerden vroeger in de katechismus dat er 3 soorten zonden waren:
1.De erfzonde
Die hadden we geërfd van Adam en Eva met de appel van de verboden boom.
De erfzonde werd je vergeven als je gedoopt werd. Als een kind overleed zonder doop, had het nog de erfzonde en mocht het in gewijde aarde begraven worden, maar op een speciaal hoekje op het kerkhof.
Dat kind kon dan ook niet in de hemel komen bij de moeder, maar kwam in het Voorgeborgte (wat dat was?) wisten we niet.
Vandaar dat een kind zo snel mogelijk naar de kerk ging voor de doop.
Het is zelfs gebeurd met gevaar voor eigen leven tijdens hoogwater.
En dit terwijl we in de katechismus leerden:
‘In tijd van nood mag en moet iedereen dopen!’
En op dat moment was er aan water geen gebrek!!
2.De dagelijkse zonde
Dat waren maar kleine vergrijpen zoals vloeken, liegen, stelen, kuisheid en verkeerde gedachten.
Deze werden door de penitentie (bidden van weesgegroetjes en onze vaders eventueel een oefening van berouw) vergeven.
3. De doodzonde
De doodzonde stond voor moord, verkrachting en ernstige misdrijven.
Deze kon alleen maar vergeven worden met korter of langer verblijf in het vagevuur en zelfs de hel.
In november kon men een aflaat verdienen. Dat was om een persoon uit het vagevuur te bidden door enkele weesgegroetjes en onze vaders. Daarna even naar buiten de kerk te gaan, om daarna weer terug om nog voor een andere persoon een aflaat te verdienen.

10. Bloemen op de ruiten

RuitenVroeger had niet elke woning verwarming als heden ten dage. Hooguit de pastoor en de huisarts hadden verwarming in huis. In de winter als het ‘kraakte’ was 's morgens de kachel uit en alles steenkoud in huis.
Het eerste wat men dan deed, was de kachel aansteken met kolen en eerder ooit met houtblokken en zelfs met turf.
Het was dan ook niet de bedoeling, dat je midden voor de kachel ging staan, want dan zeiden je huisgenoten: ‘Laat mij er ook eens bij, want ik heb het ook koud!’
Want die kwamen juist van hun koude slaapkamer, waar geen verwarming was.
Op de slaapkamer had het ook gevroren. De waterdamp van je adem was gecondenseerd op de ruiten en bevroren tot mooie bloempatronen.
Als je dan naar buiten wilde kijken, moest je eerst een plekje warm maken door tegen de ruit te ademen.
Als je dan eindelijk een rond doorzichtig plekje had gemaakt, kon je naar buiten gluren of het mogelijk ook gesneeuwd had.
Je moest wel oppassen dat je bij de beademing niet met je tong de ruit raakte, want dan zat die vast!
Oude mannen met een kaal hoofd hadden zelfs een wollen muts op tegen de kou.
Vandaar de uitdrukking: ‘Hé slaapmuts!’
Op open zolders lag soms jaag-sneeuw, die onder de pannen door was gewaaid.
Bittere tijden maar je werd er ‘hard’ van!!!
Kinderen hadden soms ook ‘wintertenen’ van de kou.

11. Het dubbeltje van de scholier

dubbeltjeBij de oversteek van het veer naar Bergen liet de pontveerman mij weten dat de vorige passagier wederom naar Vierlingsbeek is teruggebracht, omdat de betaling niet volledig was! Wat bleek:
Tijdens de oversteek naar Bergen moest genoemde passagier contant afrekenen en bij het betalen viel er een dubbeltje op het dek.
De veerman liet weten dat er pas betaald was als het totale bedrag, voor zover ik mij herinner 0,30 cent, in zijn handen was. De fietser gaf aan dat de veerman het ontbrekende dubbeltje maar moest oprapen, echter dat deed hij pertinent niet!
Praten hielp niet meer, waarna de veerman naar de stuurhut liep en het veer rechtsomkeer liet keren richting Vierlingsbeek. De passagier was weer terug bij af.
Ik liet de veerman de passagier omschrijven, waarna ik al gauw tot de conclusie kwam dat de passagier niemand anders kon zijn dan:
WIEL Ha ha ha …………………..
Tijdens de oversteek heb ik samen met de veerman er enorm om moeten lachen, immers dat ‘principiële dubbeltje’ betekende dat WIEL nu de keus had om voortaan de Maas over te steken via het veer in Afferden of via de brug in Well. Ha ha ha ……….. Niet lang erna is Wiel gestopt met de studie in Boxmeer.

 12. Stiekem vals zingen tijdens de zangles

rijen zingenEén van de meest favoriete liedjes tijdens de zangles bij een van de meesters van de lagere school was : ‘DE MACHTIGSTE KONING VAN STORM EN VAN WIND IS DE AREND GEWELDIG EN GROOT’
Tijdens het zingen ging ik vals mee neuriën waarna  de meester met één hand aan zijn oor trachtte te bepalen waar de ‘valse toon’ vandaan kwam.
Hij liet om beurten een rij zingen, ikzelf zat aan de rechterzijde van de middelste bank, zowel links als rechts bevond zich dus nog een rij.
Allereerst moest de 1e rij zingen en ging het goed door mij koest te houden, ook toen alleen de 2e en vervolgens de 3e rij aan de beurt kwam ging het goed.
Hij begreep er niets van! Vervolgens mochten weer alle rijen tegelijk zingen en ging ik wederom mee neuriën.
Nu werd het menens, met beide armen gaf de meester met een grote horizontale zwaai te kennen dat we wederom moesten stoppen, m.a.w. de boel werd wederom platgelegd!
Hij keek verwilderd rond en ging nu tussen de 1e en 2e rij staan, en gaf alleen rij 1 een teken om te beginnen met zingen. Voor mij werd het nu bloedlink, want hij stond dicht bij mij in de buurt.
Het ging nu zoals gepland goed, ik was zeer geconcentreerd en zong uit volle borst mee, tot zover dus …………………….
De mester moet voor zichzelf de conclusie hebben getrokken, dat het aan rij 3 lag.
Vervolgens ging de meester tussen de 2e en 3e rij staan en gaf hij alleen de 3e rij een teken om te zingen!
Ik begon weer zacht mee te neuriën, maar zorgde dat ook mijn buurman niets zou merken, het werd nu echt spannend.
De meester liep enkele keren tussen rij 2 en 3 op en neer om de exacte locatie vast te stellen. Dat moet deprimerend voor hem zijn geweest want af en toe neuriede ik wel en dan weer niet.
Duidelijk liet hij de klas weten dat de ‘valse zanger’ zich in rij 3 moest bevinden!
Aandachtig keek hij alle leerlingen van rij 3 aan, zonder iemand bij naam te noemen. Ook hij was toen niet helderziend en alleen ik wist beter.
Omdat de zangles altijd één keer per week in het laatste uur plaatsvond, was het daarna huiswaarts keren, het mag duidelijk zijn dat ik in mijn nopjes was.

13. Tbc krabje

krabjesTijdens een vaccinatie voor tbc gaven we iedereen luidruchtig te kennen dat het ons stoere jongens niets deed.
Enkele andere ‘gevoelige jongens’ lieten we weten, dat je als bijverschijnsel een bloedneus kon oplopen, flauwvallen of zelfs bewusteloos kon raken.
In de 5e klas behoorde Jantje tot onze vriendengroep, hij was de kleinste van de klas en je kon met hem veel gein maken.
Ook Jan vertelden we over de bijverschijnselen, maar hij liet duidelijk weten geen angst te kennen voor de krabjes.
Echter nadat we gevaccineerd waren liep Pierre naar Jan toe en begon hem heftig door elkaar te schudden en zei dat hij er maar wat bleekjes uitzag.
Maar Jan liet zich niet kennen en liet wederom weten dat het niets voorstelde.
Echter toen Pierre ophield met schudden en Jan losliet, zakte hij direct met gesloten ogen richting vloer en daar lag Jan.
We wisten niet of het menens was of dat Jan simuleerde.
De een trok hem aan de oren, de ander kneep hem in zijn arm en neus en langzaam kwam Jan weer bij!
We beseften toen pas dat hij er (te) gevoelig voor was !/?
Blij dat we waren dat het met hem weer goed ging, hielpen we Jan overeind en gingen we weer verder.

 14. Bezichtiging politiebureau

politioeburoBij de bouw van het nieuwe politiebureau aan de Siebengewaldseweg heeft zich het volgende afgespeeld.
Tijdens de afbouw is het gebouw door een aantal jongeren van de Siebengewaldseweg betreden om er een kijkje te nemen.
Ook was het bezichtigen van de gevangenis, ter grootte van een garagebox een uitdaging op zich.
Hoe het precies in zijn werk is gegaan is mij niet bekend maar op een gegeven moment is de gevangenisdeur in het slot gevallen en zaten er een paar kornuiten(?) opgesloten.
Hoe het uiteindelijk is afgelopen, is mij niet bekend, ook niet hoelang ze hebben ‘vastgezeten’, evenmin wie hen uiteindelijk heeft bevrijd! 






15. Bokspringen op de lagere school

bokspringenOp de speelplaats van de Mariaschool werd veel gespeeld waaronder ook ‘bokspringen’. Een stuk of 4 of 5 mensen gingen gebukt achter elkaar staan. 2 of 3 mensen sprongen dan op de gebukte ruggen en de laatste gaf onder de laatste persoon aan: hamer, scheer of mes. Dan moest de eerste raden wat het was.
Op een moment stond Hans voor aan tegen de spijlen van de afrastering van de school aan, maar Theo was een beetje lomp en sprong zo hard op de ruggen dat Hans met zijn hoofd tussen de spijlen kwam te zitten en de leerkrachten hem er met vereende krachten hebben uitgehaald. 

 





16. Eerste schooldag van Pierre

straf schrijvenNou, de eerste schooldag op de Sint Jozefschool voor mij. ‘s Morgens op het schoolplein verzamelen, in de rij staan en daarna als de bel ging naar de klas waar je thuis hoorde, dat was voor mij dus de eerste klas. Volgens mij bij juf Thijsen. Ik loop het lokaal binnen en zonder dat ik iets in de gaten had, kreeg ik een flinke draai om mijn oren van de meester, die achter de deur stond en werd toen aan mijn oren trekkend even apart genomen.
Dit had natuurlijk een oorzaak, toen ik nog op de kleuterschool zat kwam mijn broer Joost vaak scheldend thuis over de meester en noemde hem dan ‘smerrige verkeskop’, dus ik in de pauze op mijn fietsje naar de lagere school en tegen de meester  roepen ‘smerrige verkeskop’, nou dat was hij dus nog niet vergeten.
Ook strafwerk was mij niet vreemd, vooral Pierre en ik kregen regelmatig strafwerk, maar wij maakten nooit strafwerk. Op een gegeven moment kregen we allebei een heel schrift mee om vol te pennen met strafwerk. Wij naar de Leigraaf en allemaal bootjes maken van het schriftpapier, die gingen dan richting Maas, en schik dat we hadden, het boeide ons niets.
Een keer wou de meester mij met de aanwijsstok slaan, omdat ik volgens hem weer iets had gedaan wat niet door de beugel kon, maar deze keer was het Lei die de schuldige was. In ieder geval grijp ik die stok vast en liet die niet meer los, terwijl ik opmerkte dat Lei de boosdoener was. Met mijn voeten tegen de schoolbank, de stok goed vasthoudend zei de meester: ‘Als je de stok loslaat, zal ik je niet slaan, maar bij een volgende keer dat Lei verdiend heeft, kom ik bij jou.’
Je zou er een boek over kunnen schrijven.

17. Eerste kennismaking met politie Veger in Bergen


veger cafeOver het algemeen was de politie vroeger niet de meest populaire man in het dorp. Op zekere dag kwam Veger in 1956 in Bergen op de Groene Kruissingel te wonen.
Een van de eerste kennismakingen van hem was met de bevolking van Bergen Bij Gert Lamers.
Veger deed zijn avondronde voor controle van het sluitingsuur in de cafés .
Bij Quatre Bras Gert Lamers bleek de café nog geheel vol te zitten na het sluitingsuur om 12 uur s avonds.
Hij stapte binnen keek in het rond, groette vriendelijk maar vertelde dat dit niet de bedoeling was. Hij maakte aanstalte door zijn verbaal boekje te pakken.
‘Dus wat gaan we doen?’ zei hij. ‘Maak de glazen nog allemaal een keer vol en dat rondje is van mij, maar daarna naar huis.’
Hij heeft nog gezellig samen dat laatste glas met de Bergenaren leeg gedronken!!
Niet lang daarna wist iedereen dat Bergen er een nieuwe aardige politie gekregen had. Hij kon niet meer ‘kapot’ bij de bevolking.
Overigens wist men dat Veger ook groot en sterk was en niet bang om een klap uit te delen, als vechtersbazen hem het vuur aan de schenen probeerden te leggen. 

 

 

18. Vroeger in de kerk rangen en standen

BiechtenVroeger begonnen de rangen en standen al bij je geboorte. Bijvoorbeeld de plaats in de kerk. Een keer in de 4 jaar werden de plaatsen in de kerk opnieuw verpacht.
De voorste plaatsen waren het belangrijkst.
De plaatsen werden bij opbod verpacht, dus de duurste plaatsen vooraan in de kerk. Dus families met veel geld en die er zich op voor stonden dat te tonen, lieten dat merken. Zo wilde een Bergenaar van de Ceres graag vooraan zitten en die bleef maar hoger bieden, totdat hij zijn plaats toegewezen kreeg.
Maar daarna wilde hij natuurlijk dat zijn vrouw naast hem kon zitten en niet ergens anders.
Dan moest hij om die plaats te bemachtigen soms nog hoger bieden dan zijn eigen hoogste bod, omdat de andere bieders wisten dat hij die plaats moest en zou hebben.
De plaatsen verder terug in de kerk waren veel goedkoper, omdat niet iedereen graag vooraan wilde zitten.
De meeste mensen waren tevreden met een plaats in het voorste gedeelte. Verder naar achter waren de plaatsen vrij.
De missen werden zo druk bezocht dat men ook in het gangpad moest staan.
Achter in de kerk staan was vooral om om tijd te kunnen vertrekken!!!
De plaatsen waren ook voorzien van de eerste letter van de naam en familienaam.
Als iemand dan per ongeluk op zo'n plaats was gaan zitten, kreeg die ook te horen
‘betalde plats’ en kon hij of zij vertrekken.
Daarmee werd meteen duidelijk dat je geen eigen betaalde plaats had en waarschijnlijk weinig in de kerk kwam!!!! Dat was zonde, die je werd vergeven in een biecht. Het biechten was ook zo’n bijzondere traditie.
In de biecht moest je tegen de pastoor je zonden vertellen!!
Terwijl je die pastoor ook op straat of op school in de catechismusles tegen kwam.
Zo overkwam het Pierre, hij werkte op het Gemeentehuis en kwam pastoor regelmatig tegen in het dagelijks leven.
De Pastoor wist ondertussen niet beter en zei tijdens het openen van het schuifje in de biechtstoel tegen Pierre: ‘Pierre, zeg het maar.’
Vanaf dat moment is Pierre nooit meer gaan biechten!!!
De biechtstoel is de plek waar de meeste leugens gedaan zijn.
Zo gebeurde het bij een zekere Wim 8 jaar oud die wel eerlijk probeerde te zijn in de biechtstoel en tegen de pastoor achter het houten raam zei: ‘Ik heb niks verkeerds gedaan.’
Bij de volgende biecht 14 dagen later vertelde Wim weer: ‘Ik heb geen zonde gedaan, ik weet er geen!!!!’
Op dat moment vloog de deur van de biechtstoel open, kwam pastoor buiten en greep Wim bij de kraag en zette hem in de kerkbank en gebood hem als penitentie 3 weesgegroetjes en een oefening van berouw te bidden.
In het vervolg heeft Wim toch maar gelogen. 

19. Snoep stelen bij Joep

schelbergenTypisch kattenkwaad van vroeger. Jan kwam midden jaren 50 in Bergen wonen. Jan kwam uit de stad en was voor de duivel niet bang.
Zo ging hij samen met een andere Jan op jacht naar snoep.
Jan had gezien bij Joep Schelbergen, als je daar kaas kocht moest Joep dat in de kelder gaan halen. Dus Jan (uit de stad) wist, dan kan ik mijn slag slaan.
Verder had hij nog een afleidingsmanoeuvre bedacht. Hij had een driekante doek en daar maakte hij een mitella van. Hij hing er dan zijn onderarm in.
Jan wist ook bij ons in het dorp kon je nog kopen zonder direct af te rekenen.
Als je zei ‘opschrijven voor je gezin’ dan werd dat op rekening gezet.
Zo bestelde Jan staand voor de toonbank 100 gram kaas.
Terwijl Joep naar beneden ging pakte Jan het snoep, marsen en noga's van de toonbank en verstopte het snoep in zijn mitella.
Tegen de tijd dat Joep Schelbergen weer boven kwam zei Jan
meneer Schelbergen: ‘Graag opschrijven voor ons pap en mam.’
Daarna vertrokken beiden. Joep Schelbergen niets vermoedend achterlatend.
Dat ging nog een enkele keer goed totdat Joep op de stoep bij de familie kwam voor de afrekening.
Jan moest de rekening uitleggen. De vader van Jan kennende, hoef ik niet uit te leggen wat er toen gebeurde. 

20. Van strafschrijven tot gevangenisstraf op de lagere school

Lijfstraffen op de lagere school in Bergen
Vroeger was het de gewoonte dat er met harde handen orde werd gehouden.
De lichtste straf was 100 regels strafschrijven. In de trend van:
‘Ik mag niet hardop praten in de klas.’
Verder : Nablijven in de klas na schooltijd.
Daarna was een straf op de knieën naast je schoolbank of in de hoek met het gezicht naar de muur.
Verder typisch Pietje Pelle een harde tik met zijn zegelring op je hoofd of aan het oor draaien. Ook gooide hij wel eens met schoolbordborstel.
Een Juf sloeg met een lineaal op je vingers plat op je schoolbank.
Bij nog zwaarder vergrijp kreeg je een draai om de oren.
Naar huis sturen was er niet bij.
Opsluiten in het donkere kolenhok op school. Daar was het dan pikkedonker.
Thei had het geluk van Pietje Pelle en mocht de deur open laten staan, maar dan moest hij wel de brikketten opstapelen.
Een specialiteit van een van de meesters:
Het zwaarste wapen was een lange aanwijsstok waarmee hij op de rug sloeg.
Theo en Huub waren ooit slachtoffer.
Soms gebeurde het dat de aanwijsstok brak, want die was niet op de dwarskrachten berekend die de meester er in wist uit te halen. Een stuk van de stok vloog eens tegen de grote hanglamp die daarmee ook aan haar einde kwam.
Oorspronkelijk is de aanwijsstok bedoeld om aanwijzingen te geven op het bord of landkaart. Maar dat terzijde. 

21.Kattekwaad: sinaasappel pikken

groenteHet gebeurde op de Murseltseweg in 1955.
Karel van Riswick ging met zn driewielerauto met groente en fruit langs
de deur. Daarbij moest hij telkens van de wagen naar de huisdeur lopen.
Huub en Jan zagen dat Karel wat langer weg bleef.
Ze dachten van dit moment maken we gebruik.
Ze pikten elk een sinaasappel van de kar en doken in de struiken achter van Triel.
Maar er was een Bergenaar die dit gezien had.
Mat kwam ook in de struiken en pakte Huub bij een oor en liep met hem trekkend aan het oor naar de vader van Huub, verderop aan de Murseltseweg.
Nadat hij hem had afgeleverd en verteld wat er gebeurd was, kreeg Huub weer van de vader op zijn sodemieter. Jan was ondertussen naar huis gerend.
Of beiden nog van de sinaasappel genoten hebben, weten we niet.

22. Pierre laat de meester struikelen

Het gebeurde op de speelplaats van de lagere school. Het was speelkwartier en de jongens zochten vertier. Zoals gewoonlijk liepen de leraren over de speelplaats.
In dit geval ook een meester. Iedereen was nog banger voor de meester vroeger als voor de duivel. Waarschijnlijk omdat dat zo spannend was, haalde deugniet Pierre een levensgevaarlijke aktie uit. Hij probeerde de meester pootje te haken.
Nu was daar bij de meester gezien zijn omvang niet veel voor nodig en rolde de meester direkt over de tegels.
Nog voordat hij weer opgestaan was riep hij naar de jongens: ‘Grijp die vent!!
Maar Pierre die wel vaker voor zijn leven had moeten rennen’, was al naar de straat gevlucht.
Het was Sieg die er achteraan ging.
Pas op de Groenekruissingel bij de meisjesschool had Sieg, Pierre te pakken.
Sieg was sterk genoeg en bracht hem terug naar de school.
Wat de straf geworden is, kolenhok opsluiting of een paar draaien om de oren, weten we niet.

23. Ruzie zoeken op de speelplaats.

vechtenHet gebeurde soms dat er wat onenigheid tussen twee scholieren op de speelplaats was.
Iedereen kwam daarbij kijken wat er aan de hand was en hoe het af zou lopen.
Maar sensatiezuchtig als wij waren, als er nog niet veel gebeurde, begonnen we de twee kemphanen op te hitsen.
We begonnen massaal in koor te roepen ‘RUZIE RUZIE RUZIE!!!’
De twee kemphanen raakten hierdoor nog meer opgewonden en de strijd werd heftiger.
Gelukkig is dit nooit echt uit de hand gelopen, want meppen deden we hooguit op het lichaam. Nooit in het gezicht.
Wij waren nog ‘brave jeugd’ in de 50er jaren van de vorige eeuw!!

24. De Todden-Kèl

voddekelEen keer per jaar kwam er een ‘Todden Kel’. Die kwam om vodden op te halen. (oude kleren)
Hij zat die middag dan voor onze lagere school of ook soms bij de meisjesschool.
Rob dacht dan om gauw naar huis te gaan om vodden te halen, want je kreeg van die man als vergoeding een puntenslijpertje of een klikklak of een gum.
Rob ging dan naar huis want als zijn vader die schooier zou zien, dan werd die verjaagd.
Wat waren we met zo'n puntenslijpertje of ringetje al gelukkig!!

25. Ons speelgoed op de speelplaats
Elk jaar was er wel een knikkerperiode. Wanneer en hoe die aanbrak weet ik niet.
Maar iemand moet er plotseling mee begonnen zijn. En het eindigde ook weer zonder dat iemand dat regelde.
Verder in de zomer gingen we als de zon goed scheen, met een vergrootglas of brandglas van een zaklamp, mica of kunststof laten branden met het glas. Het rook ook lekker.
Als je te lang op je hand scheen, kreeg je een brandplek.
Zelfs als je maar lang genoeg de focus van het brandpunt van de zon op een schoenveter kon richten, begon die te schroeien en kwam er rook af.
Verder probeerden we van onze fiets een stoere brommer te maken door met 2 wasknijpers en een stuk karton dit tegen de spaken van de fiets te laten ‘klepperen’. Een update hiervan was:
Een leeg schoenpoetsdoosje met elastiek ringen van een binnenband van de fiets en wasknijpers tegen de spaken laten "ratellen" dat kwam door het lege doosje.
GSM, internet, whatsapp etc.etc. zou nog heel lang duren.
Als men ons toendertijd verteld zou hebben dat ieder een telefoonkastje zou krijgen voor bellen, radio en televisie hadden we dat toch niet geloofd.
Een sinaasappel of banaan was al exotisch voor ons!!

26. Rob verraadt John in de biechtstoel

biechtOp de lagere school hadden we ook een periode dat we een ‘traktortje’ maakten van een leeg garenklosje, elastiek van de binnenband van een fiets en een houten stokje. Het elastiek wat in de holte van het leeg garenkloske zat , draaiden we
dan eerst op en dan kon het ‘traktortje’ langzaam rijden door het terugrollen van het elastiek.
Probleem hierbij was echter dat er soms te veel wrijving was tussen het klosje en het houten stokje. Iemand had een soort lagertje hiervoor uitgevonden.
Dat was een ringetje van kaarsenwas tussen het klosje en het stokje.
Maar hoe kom je aan een ringetje van kaarsenwas.
Onze constructeur in spé Rob, had bedacht dat in de kerk onderstukken van bijna opgebrande kaarsen liggen.
Daarvan kon je leuke kaarswassen ringetjes maken.
Samen met John gingen ze op pad en hebben de betreffende kaarsresten achter in de kerk gevonden.
Echter bij de volgende keer biechten kwam de fantasie van Rob goed van pas.
Hij biechtte dat hij samen met John enkele kaarsrestjes in de kerk gepakt had.
Deze zonde werd hem vergeven met de penitentie van 3 weesgegroetjes en een oefening van berouw.
Echter mededader John had eerder gebiecht en alleen zijn standaard-zonden gemeld en niet de kaarsresten.
Hij zat nog in de kerkbank en heeft de boete in de vorm van een stevige draai om zijn oren van de grote handen van pastoor als lijfstraf gekregen. 

Met dank aan Leo Zeegers

Het leven van weleer op de Lackbar

"As ik zo deenk an lang vervloage joare, op de Lackbar wor wej zien geboare"

Het leven van weleer – op de Lackbar, belevenissen van een oud Bergenaar

’s Ochtends rond half zeven werden zij gewekt door een ritmisch geluid dat door heel het huis klonk. Dat kwam van de kachel, dan bewoog moeke het rooster boven de asla snel heen en weer. De kachel werd ’s nachts met een minimum aan kolen brandend gehouden. Daarna moest ze hem opporren en gooide ze de kolen, die de vorige avond door vader in een kolenkit waren klaargezet, op het smeulende vuur. Inmiddels waren de kinders ook beneden. Snel een kattenwasje onder de pomp met koud water. Na het ontbijt stapten de jongens om kwart over zeven op de fiets om een half uur over een zandpad, een rit van vier kilometer naar Bergen te fietsen. Om kwart voor acht begon in de kerk de dagelijkse heilige mis. De kinderen zaten samen met de leerkracht van de jongensschool in de kinderkapel. De mis duurde een half uur en om kwart voor negen begonnen de lessen op school. Van twaalf tot half twee was het middagpauze. De jongens van de Lackbar fietsten dan naar familie die aan de Rijksweg woonde, daar kregen zij van oma warm eten. Van half twee tot kwart voor vier waren ze weer op school. Op de terugweg fietsten de jongens via de Bergse Hei naar huis om de krant Dagblad voor Noord-Limburg op te halen. Eenmaal thuis wachtte moeke hen op met een glas warme cacao. Daarna trokken ze hun blauwe overall en de klompen aan om iets om het huis, in de koeienstal of op het veld te gaan doen. In en om de koeienstal liepen wel zo’n twaalf tot vijftien katten, die kregen melk als de koeien gemolken waren of kliekjes van het middageten. Er was dan ook nergens een muis te bekennen.

In hun vrije tijd struinden de jongens regelmatig door het gebied van de Lackbar. Van de Wellsche Hut tot de Ceres kenden zij alle zandwegen en heidepaadjes. In de blauwe overall en op de klompen over de Maasduinen, langs Jan d’n Duvel, de Mienenberg, de grote plak (waar de schaapskooi staat), de Bedevaartsdijk, de Peppelboom, het Aijermeer, de Paasberg, het Eendenven en vanaf de Zwelvenberg met zijn zandverstuivingen konden zij de kerktoren van Venray zien.

Voor en na elke maaltijd werd het Onze Vader en Wees Gegroet gebeden. Voor de warme maaltijd om half een nog het Engel des Heren. Na het avondeten gingen de jongens zich om acht uur wassen en de pyjama aandoen, in de woonkamer bij de warme kachel. Ze gaven vader een hand en wensten hem welterusten. Moeken ging met hen mee naar boven. Daar staken zij de vingers in het wijwaterbakje dat naast het deurkozijn hing en maakten nog een kruisteken. Moeder had een warme waterkruik aan het voeteneind gelegd en zo gingen zij heerlijk slapen.

Wanneer er een ernstig zieke of sterfgeval in de familie was, dan werd er vele avonden na het avondeten op de knieën voor een stoel de rozenkrans gebeden. Er leek maar geen einde aan zo’n avond te komen. Bij een sterfgeval in de buurt werd er op een van de avonden voor de begrafenis met buurtgenoten in de kerk of kapel ook eindeloos de rozenkrans gebeden.

De strenge winters brachten prachtige ijsbloemen op de slaapkamerramen. Vóór 1966 had het gezin nog geen elektriciteit, waterleidingen, centrale verwarming of televisie in huis. Er was alleen verlichting op de begane grond, in de koeienstal en in het kippenhok. De lampen met een gaskousje brandden op flessengas. Rondom de boerderij was het overal donker, maar het gezin kende er blindelings de weg.

In 1956 werd er een melkinstallatie aangelegd, die draaide op een benzinemotor evenals de houten wasmachine. Ook kregen zij in dat jaar telefoon, die was aangelegd met bovengrondse bedrading vanaf de Rijksweg.

Op zaterdagmiddagen werden de jongens door moeke van top tot teen gewassen. Een voor een, zittend in een zinken teil in de bijkeuken nadat er een ketel water op het tweepits gasstel was opgewarmd. En zaterdag ’s avonds luisterden zij meestal een hoorspel op de radio, die haar energie haalde uit een Witte Kat blokbatterij. Op zondagen hesen zij zich in de zondagse kleren met een wit overhemd en een nondejuuke. Vervolgens met de auto naar de Hoogmis van tien uur. Elke familie had in de kerk haar eigen gepachte zitplaatsen. Zo zat je tijdens een drukke mis toch als familie bij elkaar.

De katholieke kerk speelde destijds een prominente rol, zowel op school als in het verenigingsleven. Op school werd Catechismus onderwezen die thuis van buiten moest worden geleerd. En een aantal keer per jaar naar de kerk om te biechten. Op de zaterdagen vóór Palmzondag gingen de jongens met een lege fles in een tas die aan het fietsstuur ging naar de kerk om er wijwater te halen. Voor de kerk stonden enkele zinken teilen gevuld met wijwater – dat was normaal water dat door de pastoor gezegend was – en kon in de meegebrachte fles mee naar huis worden genomen. In diverse besturen zoals die van de gemeente, scholen, boerenleenbank, boerinnenbond, Jong Nederland en sportverenigingen was altijd een geestelijk adviseur, pastoor of kapelaan aanwezig. Met als doel dat er geen buitensporige activiteiten konden plaatsvinden. Met name de kerkelijke feestdagen door het jaar heen waren erg belangrijk. Bij sommige feesten trok de bevolking in processie door het dorp.

“As kiend dochte, den tied gut nooit veurbej, toch is ’t gedaon…”

Het leven als kind op de boerderij, een jaar rond: 1965

Het was niet alleen lang - maar vooral leve de lol op de boerderij. Vanaf de leeftijd van 10-11 jaar was het flink aanpoten. “De hand uut de mouwe steake” op woensdagmiddag en op zaterdag maar ook tijdens de schoolvakanties. De zaterdagklusjes bestonden voornamelijk uit de plets griessele en de auto wassen. In de winter moesten er knollen worden geplukt en mangelen uit de kuil worden gehaald om er het vee in de stal mee te voeren. ’s Avonds moest er water worden gepompt voor de koeien. Zolang de koeien bleven drinken, ging de handpomp op en neer.

Omstreeks half mei, als de suikerbieten begonnen te groeien, moesten deze worden uitgedund en op één worden gezet. Met juten zakken om je knieën gewikkeld vastgebonden met touw en al kruipend over het veld, wat enkele weken in beslag nam, moest je dit klusje klaren.

In juni begon het hooiseizoen. Het hooi met paard en hooihark in de dijken harken zodat het gemakkelijk op de ruiter kon worden gezet waarna het kon drogen en afsterven. Vervolgens ging je met het paard het land eggen ofwel met de cambridgerol om de kluiten te breken. Vaak was het snikheet als de hooibalen geladen moesten worden om daarna op een nòg hetere hooizolder onder het pannendak gelost moesten worden.

In augustus begon de oogst van het koren. Met een zelfbinder achter de trekker werd het koren gemaaid, daarna werden de garven bij elkaar in gasten opgezet. Nadat alles was afgestorven moest het worden afgevoerd naar de korenmijt die garf voor garf werd opgezet.

In september moesten de piepers gerooid en geraapt worden. Mand voor mand werd dan in de wagen gekieperd. Meestal was het dan de oogst van de piepers met de Bergse kermis, de eerste zondag van oktober, weer achter de rug.

In oktober en november was de periode dat de suikerbieten uit de grond moesten, dat was zwaar werk. De bieten werden met de hand uit de grond getrokken, ze zaten vaak erg vast met hun wortels in de aarde gegroeid. Vervolgens werden ze mooi recht in de rij gelegd zodat met een schop het loof er afgestoken kon worden. Daarna werden ze met een bietenriek op een wagen geladen en naar de loswal in Aijen gebracht waar ze op het schip gingen. Het bietenloof ging de silo’s in en werd als veevoer gebruikt.

En zo kwam december en het einde van het jaar in zicht.

Zoeken