Terugblik oorlog 1940-1945 door Bergenaar (geboren 1933)

Afbeelding2.jpgJa, mensen, jullie zullen je misschien afvragen, wat zitten deze mensen hier te doen? Nu, dat kan ik zo vertellen. Die zitten stenen te bikken.

Die hebben we nodig om Bergen weer op te bouwen na de verschrikkingen van de oorlog. Hoe dat zo gekomen is? Daarvoor moet ik meer dan 75 jaar terug: 10 mei 1940.

 



Afbeelding1.jpgIk woon aan de Rijksweg en hoor ’s morgens en de gehele dag, dat er tanks en alle soorten voertuigen over de weg richting Nijmegen rijden. Ze komen ook over de Siebengewaldseweg vanaf Siebengewald. 
Het blijken Duitsers te zijn, of zoals we ook wel zeggen: “moffen”.


 

Afbeelding3Alle versperringen die over de weg zijn gemaakt, stellen niets voor. De tanks rijden er gewoon overheen.

 

 

 

kazamatVan de overkant van de Maas staan langs de Maas enkele kazematten.
Er schiet overdag nog meerdere keren een kanon en dan wordt het stil in Bergen. De oorlog is begonnen.

 




Afbeelding4.pngDaarna gaat het dagelijkse leven eigenlijk voor iedereen gewoon door. Iedereen gaat weer naar zijn eigen werk kantoor of fabriek, de boeren varkens voeren, koeien melken, de oogst binnen halen.  
Alleen krijgen we ander geld.


 

 

 



Afbeelding5.jpgDe boeren moeten meer afgeven, maar zoals altijd zijn ze slim.

Er wordt stiekem geslacht bv. de pastoor loopt dan te brevieren in de tuin van de pastorie, maar eigenlijk houdt hij in de gaten of er Duitsers aankomen. Levensmiddelen, kolen, alles is op de bon. Wij hebben toen geen honger gehad. Wel is er ‘spertijd’.
Er wordt zelfs een beetje kermis gevierd. Er zijn wel momenten dat we in de schuilkelders moeten.
Dan staan we ‘s avonds buiten starend naar de lucht en zien grote getalen van die grote vliegtuigen, volgeladen met bommen, richting Duitsland, vooral het Roergebied.



 

 


Afbeelding7.jpgEr zijn ook Duitse jachtvliegtuigen die deze grote vliegtuigen beschieten. Het gebeurt wel eens dat er een geraakt wordt, dan zie je eerst een klein vlammetje, dat wordt een grote vuurbol en het vliegtuig stort dan ergens neer. 
In Bergen op de Paal staan schijnwerpers die met afweergeschut de hemel afzoeken naar vliegtuigen. Vanuit de vliegtuigen worden dan zilverpapieren snippers gestrooid om dit te voorkomen. 
3 grote geallieerde bommenwerpers zijn boven Bergen neergehaald (Aijermeer – Vliegerberg – Achter het Meeuwenven). 
Vanaf juni 1944 verandert er wel het een en ander. De geallieerden zijn in Normandië geland: D-Day. Ze zijn onderweg om ons te bevrijden.




Afbeelding9.jpgEind 1944 worden de dorpen aan de overzijde van de Maas bevrijd. Dat is maar 200 meter verder. We denken dat de bevrijders ook al gauw in Bergen zullen zijn, maar we hebben het helemaal mis.
Er zullen nog een paar heel zware maanden volgen.
De inwoners van Afferden moeten evacueren en komen in Bergen en Well terecht bij verschillende gezinnen en in de grote kelderruimtes van de melkfabriek in Aijen.
 


Afbeelding10.jpgVanaf oktober 1944 beginnen in Bergen grote beschietingen door kanonnen vanaf de overkant van de Maas door de geallieerden. Vooral gericht op grote hoge gebouwen waar de Duitsers zich hebben verstopt. De Duitsers bespioneren de overkant van de Maas. Meerdere mensen worden zwaar gewond of gedood. In de volgende 3 maanden wordt Bergen, Heukelom en Aijen zeer zwaar beschadigd. De kerk en de kapelanie krijgen de volle laag. In de periode van oktober 1944 tot begin maart 1945 ligt Bergen voortdurend onder zwaar granaatvuur.

We hebben wel vanaf die eerste nacht de bedden in de kelder gebracht, maar van slapen komt niet veel terecht. Je bent nergens veilig, ook in de kelder niet. Buitenshuis worden bunkers gegraven om te schuilen tegen granaatvuur. In de bunkers wordt vaak de rozenkrans gebeden, dat alles maar goed af zal lopen.
Tot overmaat van ramp is het eind november ook nog heel hoog water en moeten de kelders, waar de mensen schuilen tegen de bombardementen, steeds met emmers worden leeggeschept. Met kerstmis kunnen we niet naar de kerk, deze is verwoest. De mis wordt  gehouden bij Café Lamers in de kelder.

Overal afweergeschut. ’s Nachts bommenwerpers en granaatvuur. Dit is eigenlijk niet te beschrijven, dat moet je helaas meegemaakt hebben. Dat wij, dat wil zeggen mijn familie, het er levend afgebracht hebben, is echt een wonder. Later na de bevrijding horen we dat er toch heel wat bewoners van Bergen, Heukelom en Aijen door het oorlogsgeweld zijn omgekomen, vooral door granaatscherven.

We beseffen eigenlijk niet hoe gevaarlijk het is om buiten te komen, maar ja het leven gaat door, eten moeten we toch, maar dat moet van de voorraad. Velen hebben zelfs een varken,  geit en konijnen. Je kunt nergens meer naartoe, geen bakker, geen melkboer. Wij hebben veel zelf, of we gaan naar de buren, die hebben een boerderij. Zo hebben we deze maanden doorgebracht, ‘s nachts in de kelder, overdag gauw wat eten klaarmaken en wat wassen. En op gezette tijden vanwege het granaatvuur de kelder of buiten de bunker in. Af en toe lopen we ’s morgens over naar de buren, van de ene naar de andere kelder.

Afbeelding13Via de tramlijn Nijmegen-Venlo worden stiekem zakken met graan van de boeren naar een groothandel in Venlo vervoerd. Daar is ook hongersnood. In ruil daarvoor krijgen we allerlei gebruiksartikelen om van te leven of mee te werken. Wij hebben een molentje, daar wordt koolzaad mee gemalen voor de olie. Dat wordt door velen gebruikt.
 

 

 

Afbeelding12.jpgEr wordt bij ons voor het huis een tramwagen neergezet. Volgens de Duitsers zit daar gereedschap in. Deze staat er nog maar enkele uren, tot we  van over de Maas met granaten beschoten worden tot er een voltreffer is. Er zit geen gereedschap in maar munitie. De tramrails en woningen zijn zwaar beschadigd. Als de tramrails kapotgeschoten zijn, wordt alles heen en terug vervoerd met een vrachtbedrijf uit Siebengewald. Het is verschrikkelijk. Overal lopen Duitse soldaten. Het is een angstige tijd. Sommige dingen die we doen, mogen eigenlijk niet. Als ze je pakken, kun je doodgeschoten worden.

 

 

De evacuatie.

De Duitsers verwachten dat de geallieerden vandaag of morgen de Maas zullen oversteken.

Afbeelding14Op zondag 7 januari, ’s morgens in alle vroegte, komen de Duitsers overal vertellen dat we over 2 uur weg moeten zijn. Wie niet op tijd klaar staat, zal ‘erschossen’ worden. Mijn vader en moederen, acht kinderen, mijn jongste broer is drie weken oud, met kinderwagens, kruiwagens, karren en alles wat maar een beetje kan rijden, gaan we te voet op stap. Het sneeuwt die dag en het is bitter koud en glad. We hebben zoveel mogelijk kleren over elkaar aangetrokken tegen de kou. Er wordt zoveel op de rug gebonden, dat je voorover moet lopen  om niet achterover te vallen. Er zijn moeders bij die een pasgeboren kindje gewikkeld in een deken in hun  armen meenemen. Via Siebengewald trekt de hele colonne verder naar Weeze, 15 kilometer. De mensen in Weeze hebben veel medelijden met de evacuees.  De meesten slapen die nacht op stro in de houtfabriek van Geenen. Sommige mensen hebben nog een paard en wagen bij zich, maar die blijken ’s morgens gestolen. De volgende dag wordt ons gezin  opgesplitst in drieën: mijn moeder met de baby en mijn zus in een vrachtwagen. Twee broers met mij, de jongste broer van anderhalf jaar, heb ik de hele dag op de arm gedragen en de ander vast met de hand. Mijn vader met drie broers en een kar vol spullen en levensmiddelen. Via Goch loopt de hele groep naar Kleve, waar de straten spiegelglad zijn. Daar vinden we ‘s avonds elkaar weer terug. De kar met spullen en levensmiddelen is onderweg grotendeels achtergelaten, het is te zwaar 

Afbeelding15We slapen daar in een school, waarvan het dak lekt en ramen kapot zijn, steenkoud dus. Ook stikt het van de luizen en de vlooien. Daarna weer op pad en via de pont in Emmerich de Rijn over naar ’s Heerenberg. 

Al 50 kilometer te voet en het is heel slecht weer. Vanuit ’s Heerenberg kunnen de meeste kinderen en ouden van dagen met paard en wagen naar Doetinchem. De mannen lopen er achteraan. Van daaruit gaat het naar allerlei verschillende dorpjes, waar we meestal heel goed opgevangen zijn. De meeste mensen uit Bergen en Afferden hebben 3 weken rondgezworven om ergens onderdak te vinden. Uiteindelijk komen sommige gezinnen zelfs terecht in Drenthe en Groningen. Wij komen terecht in omgeving Westerbork. Daar worden wij ondergebracht in een dorp bij vier verschillende gezinnen, die erg goed voor ons zijn. Velen hebben daar deelgenomen aan de plaatselijke werkzaamheden. We gaan daar ook naar school. ’s Zondags naar de katholieke kerk, waar ook andere Bergenaren en Afferdenaren komen. We weten niet hoe Bergen er aan toe is. In het voorjaar merken we dat de Duitsers steeds minder vliegtuigen de lucht in kunnen sturen: weinig vliegtuigen meer over en gebrek aan benzine. Als wij horen dat Bergen in maart 1945 bevrijd is, zijn enkele Bergenaren met de fiets of liftend, al eerder teruggegaan.

Afbeelding16In mei 1945 krijgen we de gelegenheid om met een konvooi van geallieerde legervoertuigen terug te keren naar Bergen. Vanaf Mook via de Rijksweg zien we al dat alles kapot is, veel huizen in puin, de bossen zijn bijna kaal. Het kruispunt Venlo -Nijmegen - Bergen -Siebengewald is  opgeblazen.

 

 

Afbeelding17Café Lamers is zwaar getroffen. Ik zie de geallieerden bezig met een machine, die zo groot is dat die in een tijd van een uur, een huis met de grond gelijk maakt. Later hoor ik dat dit een bulldozer is.
Bergen is een grote ruïne. Wat een ellende. Ik zie niets dan puin, puin en nog eens puin. Soms zit er iemand achter dat puin wat te rommelen tussen de resten. We kunnen ons eigen huis niet in, daar wonen al eerder teruggekomen bewoners.

Zij hebben zelf geen huis meer. Door met elkaar te overleggen, krijgen we uiteindelijk toch een kamer in ons eigen huis. Als mijn vader buiten in de tuin gaat kijken, waar hij van alles in de grond heeft verstopt voor dat hij moest evacueren, blijkt het te zijn opgegraven en is alles verdwenen. 

 

Afbeelding18De kerk en het gemeentehuis zijn een grote puinhoop. De Romaanse toren is zwaar beschadigd.

De school ligt in puin. De kinderen kunnen pas later naar een tijdelijke school in een noodgebouw. 

 


Afbeelding19Al gauw gaan we aan de slag met het herstel. Iedereen helpt elkaar. Bergen is één grote familie in die tijd. We hebben de hulp van de HARK, hulporganisatie Rode Kruis. 

Er staan door het hele dorp verschillende noodwoningen, nissen hutten, barakken.

’s Zondags gaan we naar de mis in de zaal van Schelbergen. 

 

En daarom zitten we hier: stenen te poetsen. Ja het gewone leven keert langzaam terug. Iedereen in het dorp werkt mee aan de wederopbouw. Het zal nog wel een paar jaar duren, maar ik denk maar: als ieder zijn steentje bijdraagt, zal het zeker lukken.

Lass es alle recht wohl gehen (fam. Remy)

Tweehonderd meter van de Duitse grens, in buurtschap De Wellsche Hut, stond de boerderij van de familie Remy. Die boerderij bood in de oorlogsjaren niet alleen onderdak aan de familie Remy, maar ook een groot aantal onderduikers vond in de hofstee een veilige haven. Veilig, zolang niemand z'n mond voorbij praatte en de gevreesde Hitler-jugend, Sicherheitsdienst, landwachters of de werkmannen van de Duitse TOD van het erf bleven. De familie Remy beleefde in die tijd spannende momenten. Momenten die vader Johan Theodoor Remy bijna het leven kostten. Met de nu 73-jarige Herman en de 75-jarige Wim Remy halen we herinneringen op. Als voorbeeld van het verzet in de gemeente Bergen, want de familie Remy was natuurlijk niet de enige die de toorn van de Duitsers trotseerde en zich inzette voor 'de goede zaak'.

"We hielden ons in die tijd zo min mogelijk op met de buitenwereld. Elk woord kon er een teveel zijn. We vroegen ook weinig. Echt een sfeer van 'je kunt maar beter niet teveel weten' en van 'je gedeisd houden'. We leefden voortdurend in angst. Als er landwachters in de buurt waren, kwamen we zo weinig mogelijk aan het daglicht. We woonden erg achteraf, dat maakte het een stuk gemakkelijker om je afzijdig te houden. Je wist wat de consequentie was als ze onderduikers bij ons zouden vinden. Gelukkig dacht je niet altijd aan."

Wim, geboren in 1919, en Herman, geboren in 1921, waren de oudste 'zoons van de familie Remy. Het gezin bestond in die tijd uit negen personen: de ouders en zeven kinderen. Maar daarbij bood de boerderij in de oorlogsjaren nog eens onderdak aan een vijftiental onderduikers (joden, verzetsmensen en mensen die de tewerkstelling in Duitsland wilden ontvluchten). Maar gek genoeg, werd in diezelfde tijd ook een aantal Duitse soldaten bij de familie ingekwartierd. De vier slaapkamertjes van de boerderij waren soms tjokvol.

Jodenfamilies
De eerste onderduiker die bij de familie Remy aanklopte was Jan Cuypers uit Venlo. Deze student in Delft voelde er niet voor in Duitsland te gaan werken, zoals de Duitsers hem gelast hadden. Een tijdje had hij bij de familie Linders in Well gezeten, maar daar werd de grond onder z'n voeten te heet. In een afgelegen gebied als de Wellsche Hut zou hij veiliger zijn. Via kwam hij bij de Remy's terecht. Een jaar zou hij blijven. Later keerde hij weer terug naar Venlo.

Van 1942 tot en met 1944 vond een aantal jodenfamilies onderdak in de boerderij. Zo waren daar mevrouw Mozes en haar zoons Alex en Max uit Oss, het echtpaar Izaak Stranders-Mozes uit Zaltbommel en het echtpaar Stranders sr. uit Zaltbornmel. Het laatste echtpaar vertrok echter na korte tijd. Later werd het opgepakt en op transport gesteld naar Polen.

In die tijd verbleef ook ene Piet bij de familie Remy. Toen er echter levensmiddelen ontvreemd werden en later bleek dat Piet die meegenomen had was er paniek.

"We hadden hem gevolgd" herinneren Herman en Wim zich. "Hij gaf het pakje of in het dorp en zou het later met de bus wegbrengen. Wat te doen. We konden Piet niet meer vertrouwen. Toen hij terugkwam hebben we hem verteld dat de kust niet meer veilig was en dat hij weer terug moest keren. Uit veiligheidsredenen hebben we ook de joodse families elders onder moeten brengen. Dat was in 1944."

Toen de rust weer was weergekeerd bracht verzetsman Piet van Mil opnieuw onderduikers naar de boerderij: Wim Peeters en Hans Sinner, Eddy Morien uit Den Helder en Kees van Ham uit Breda. Die wilden de tewerkstelling in Duitsland ontvluchten. Via bet verzet kwamen ook Lodewijk Hagenaar, een 9-jarig joods jongetje, en de uit het Duitse krijgsgevangenschap gevluchte Fransman August Clermont terecht bij de familie Remy. Deze twee gingen mee toen de Remy's geëvacueerd werden naar Groningen.

In oktober/november 1944 werd ook een aantal Duitsers ingekwartierd. "Och, je had er goede en kwade relativeren Herman en Wim. "Eentje vertelde zelfs dat hij met Prins Bernhard in de schoolbanken had gezeten. Zou best kunnen. De Fransman verbleef dan op de hooizolder en moest zich gedeisd houden met zijn accuradio."

Handgranaat
De Duitsers die het erf betraden van de familie Remy waren meestal echter niet op zoek naar onderduikers. Ze hadden het meer op het vee afgezien. De deuren van de varkensstallen werden voorzien van een koord en verbonden met een lepel in de keuken. Als iemand aan de deur trok begon de lepel te rammelen. Zo probeerde wat Hitlerjugend varkens te stelen. De Fransman had het gezien en gooide vanaf de hooizolder de accu van z'n radio, een autoaccu achter op de voet van een van die knullen. De Hitlerjugend draaide zich om en schoot met de karabijn op het hooiluik. Vader kwam net de hoek om. De Duitsers gooiden een handgranaat naar hem toen hij wegrende. Gelukkig kwam die granaat voor hem terecht, zodat de splinters ook naar voren vlogen. Anders was vader zeker dood geweest. Dat moeten we hem nageven. Papa was zeker niet bang. Toen weer eens Duitsers vee kwamen stelen, liep hij moedig op hen toe en zei keihard: "Heeft Hitler jullie dat geleerd, als dieven in de nacht vee komen stelen". De Duitsers keken naar de grond draaiden zich om en gingen. Dat moest je doen met die Duitsers: schreeuwen en overbluffen."

Evacuatie
Ook de familie Remy ontkwam niet aan een evacuatie. De Fransman, die wel een vervalst persoonsbewijs had onder de naam

August Appelman wilde op de boerderij blijven. Toen de Griine Polizei kwam zagen ze hem met een jutezak vol spullen lopen net toen hij naar zijn verstopplaats in de veldschuur wilde. "Stehen bleiben", klonk het. In de zak bleek een grote binnenband te zitten. Daarmee wilde August de Maas over. Met "Du Feichling, Du wilst die Maas über" werd de Fransman ontmaskerd. Hij mocht blijven om mee te helpen met opladen. "Toen we vertrokken, liep hij gewoon met ons mee", vertelt Wim Remy. "Volgens mij kneep de Duitser een oogje dicht. In Weeze werd alles in veewagens geladen. August klom in de wagen en hield zich stil. Toen alles ingeladen was, klommen we zelf ook in de wagen en maakten de deur dicht. De spanning was om te snijden. Even later ging de deur weer open. De Duitser keek een keer rond,knikte toen en zei: "Lass es alle recht wohl gehen". Wat een opluchting. Je merkte, voor de Duitsers was de oorlog een afgaande zaak."

De familie Remy kwam uiteindelijk terecht in Uithuizermeeden. Met hulp van de kapelaan van Uithuizen en de dominee uit Uithuizermeeden is iedereen de evacuatietijd zonder problemen doorgekomen om na de oorlog in vrijheid terug te keren op hun boerderij. De boerderij waar het in de jaren daarvoor zo druk was geweest.

Bron: Dagblad van Limburg

Zoeken